Hoewel Leen van der Steen in 1908 pas een jaar lid was van Excelsior, werd hij gevraagd om secretaris te worden van de club. In 1952 onthulde hij zelf wat de reden was waarom de leden blijkbaar zo veel vertrouwen in hem hadden: ‘Mijn spel had zodanig de aandacht getrokken, dat men bang was, dat andere verenigingen zouden trachten mij over te halen voor hen te gaan spelen en wanneer ik nu bestuurslid was, werd verwacht dat ik niet zo gemakkelijk zou overlopen!’
Leen van der Steen (1889-1975) is één van de twee voorzitters uit de geschiedenis van Excelsior die ooit wedstrijden speelden in het eerste elftal van de club. Henk Zon zou dit verderop in de clubhistorie ook doen. Dat de voorhoedespeler uit Rotterdam-Zuid voor de Kralingse club uitkwam, was op zich al bijzonder. Destijds voetbalden de meeste jongens immers bij een vereniging in hun eigen buurt.
Van der Steen groeide op aan de andere kant van de Maas, in Charlois. Aanvankelijk voetbalde hij alleen in wild verband met jongens uit Charlois en Katendrecht. Toen hij zestien jaar was meldde hij zich volgens een later krantenportret aan bij Excelsior, maar dan wel de Charloise variant. Die vereniging voetbalde volgens het betreffende artikel op een veld aan de Scheepsbouwersstraat. Van der Steen speelde als midvoor en was ondanks zijn jonge leeftijd tevens secretaris van de vereniging.
Van der Steen maakte kennis met het andere Excelsior toen hij met zijn club op Woudestein een wedstrijd speelde. Een andere bron koppelde hem overigens aan voetbalvereniging RFC Maas, maar hoe dan ook meldde hij zich in 1907 samen met onderwijzer Wout Barendregt aan bij het Kralingse Excelsior. Die club speelde in deze periode overigens tijdelijk op het Afrikaanderplein, omdat Woudestein was overgenomen door een paarden-renbaan. Al snel keerden de voetballers echter terug op vertrouwde Kralingse grond, de paardenrenbaan liep niet zo goed als de eigenaren gehoopt hadden.
Met Van der Steen en Barendregt werd Excelsior in het seizoen 1908-1909 kampioen van de Rotterdamsche Voetbal Bond (RVB). Van de acht wedstrijden werden er vijf gewonnen en drie gelijkgespeeld. De doelcijfers waren indrukwekkend: dertig voor en acht tegen. Leen van der Steen maakte dusdanig veel indruk dat hij werd uitgenodigd voor het RVB-elftal, maar die uitnodiging sloeg hij af om met Excelsior een voorwedstrijd te kun-nen spelen in Antwerpen tegen Beerschot II.
Excelsior won deze internationale wedstrijd met 1-0, waarna de spelers het hoofdprogramma bekeken tussen België en Nederland. Daarna trokken de voetballers de stad nog in. ‘Het was Carnaval, en wij, broekjes, keken onze ogen uit’, schreef Van der Steen hierover. ‘We hadden de grootste pret en vonden het allemaal jammer, dat we de trein weer moesten gaan opzoeken. Moet ik er nog bij vertellen, dat we alles zelf moesten betalen en ook nog voor een onzer, die zonder werk was?’
Op zijn dertigste stopte hij als speler, maar hij was toen al lange tijd actief als bestuurslid. Eerst als secretaris en later zelfs als voorzitter. Hij legde deze functie tijdelijk neer vanwege drukke werkzaamheden, maar keerde terug omdat hij zijn club niet kon missen. Tot 1947 was Van der Steen voorzitter, in totaal twintig jaar, en hij werd opgevolgd door Toon Kenters. Na diens plotselinge overlijden in 1952 nam hij tijdelijk de voorzittershamer weer op, om hem daarna definitief over te dragen aan Henk Zon. Een trouw bezoeker van de wedstrijden op Woudestein bleef hij.
Over zijn bestuurswerk in de beginjaren schreef Van der Steen, die ook het Excelsiorarchief opzette en acht jaar redacteur was van de Excelsior Kroniek: ‘Daar de werktijden in die tijd vrij lang te noemen waren in vergelijking met thans, moest het meeste schrijfwerk op Zondagmorgen gebeuren, omdat daarvoor in de week geen tijd was. Inderdaad ‘schrijfwerk’, want schrijfmachines waren toen nog vrij zeldzaam en vooral bij een voetbalclub, die in de derde-klas van de Nederlandse Voetbalbond uitkwam.’
Die drie tot vier uur schrijfwerk, die hij verrichtte voordat hij zelf ging voetballen, kwamen bovenop de reistijd die in het geval van hem ook behoorlijk was. Hij woonde immers ‘aan de overkant’. Dat betekende met de veerboot overvaren en vanaf de Parkkade met tramlijn 1 richting Woudestein. Omdat bestuursvergaderingen nooit voor half tien ’s avonds begonnen, miste hij regelmatig de laatste veerboot terug naar zuid. Gelukkig kende men Leen van der Steen en mocht hij in zo’n geval met de personeelsboot meevaren.
Na zijn aftreden werd hij benoemd tot erevoorzitter. Een titel die hij zonder twijfel verdiende. Leen van der Steen was volgens zijn opvolger Toon Kenters een opgewekte verschijning en had een prettige en hartelijke manier van omgang. Dat hij veel respect genoot binnen de vereniging blijkt uit de woorden in een uitgave rond het dertigjarig bestaan van Excelsior: ‘Het eigen clubleven te verstevigen, hechter en gezonder te maken, was zijn doel en wat hij daardoor heeft gedaan, dwingt respect af bij ieder, die maar eenigszins weet, hoe moeilijk het is een organisatie als de onze te gieten in den vorm, zooals die het beste en in het belang van allen geacht wordt.’